Column: archief

Het lerarenregister: verkeerd gericht en te zwak

Door: Theo Wildeboer

In 2018 moeten alle leerkrachten zich hebben ingeschreven in een lerarenregister. In het register wordt o.a. bijgehouden hoeveel uren nascholing leerkrachten hebben gevolgd. De gedachte achter het register is dat met het register de kwaliteit van de leraren gegarandeerd kan worden. Wie namelijk niet aan de nascholingseisen voldoet, riskeert zijn onderwijsbevoegdheid te verliezen. Sympathiek! Ferme taal en een strakke actie, althans zo lijkt het. Maar wie goed bij de les is, ziet dat het register de positie van slecht presterende leerkrachten juist versterkt.

Volgens de inspectie is tien procent van de leerkrachten niet in staat om kwalitatief goed les te geven. In cijfers gaat het dan al snel om zo’n 20.000 (fulltime) leerkrachten in het PO. Deze leerkrachten zakken door het ijs daar waar het gaat om ‘duidelijke uitleg’, ‘adaptief lesgeven’ en ‘het aanleren van leerstrategieën’. Professioneel gezien zijn ze dus een gevaar voor de klas.

Het lerarenregister versterkt de positie van deze grote groep goedwillende amateurs. Immers wie volgens het register voldoet aan de nascholingseis (eens in de vier jaren te toetsen) behoudt zijn onderwijsbevoegdheid. Slecht functionerende leerkrachten krijgen dankzij het register dus een steuntje in de rug. En dat kan toch niet echt de bedoeling zijn!
Je vindt dat ik niet goed functioneer? Hoe bedoel je Max? Ik voldoe aan alle eisen uit het register? De schoolleider die nu in het geweer komt, zal van goede huize moeten komen om de betreffende collega aan zijn verstand te peuteren dat nascholing ‘an sich’ niet de garantie biedt dat het lesgeven op orde is. Kortom, het signaal van het register is verkeerd gericht en te zwak.

Laten we eens kijken naar een sector waar het werken met een register ook gebruikelijk is: de wereld van de luchtvaart.
Zoals bekend behalen piloten na een kostbare en intensieve training een bevoegdheid om een vliegtuig te besturen. Desalniettemin moet het vliegbrevet jaarlijks worden verlengd. Om te mogen blijven vliegen zal de piloot keer op keer moeten aantonen dat hij vliegvaardig is.

In een vlucht van circa anderhalf uur worden alle skills zorgvuldig gecheckt. Een aangewezen examinator laat de piloot allerlei verrichtingen uitvoeren: worden taxiprocedures goed in acht genomen? Hoe verloopt de communicatie met de verkeersleiding? Worden bochtjes netjes aangevlogen? En hoe nauwkeurig en ‘zacht’ zijn de landingen?
Na afloop van zo’n proficiency check (kortweg ‘profcheck’) wordt door de examinator een vaardigheidslijst ingevuld en linea recta naar de Inspectie van Verkeer & Waterstaat gezonden. Geen discussie! Alleen bij voldoende beoordelingen op alle vluchtitems, ontvangt de vlieger een nieuw vliegbrevet: en weer voor slechts voor een jaar!

De vraag is of deze aanpak niet veel beter ook voor het lerarenregister gevolgd kan worden. Voor de leerkrachten die te boek staan als ‘grootmeesters’ wordt de vermelding in het register dan ook meteen ‘eervol’. En voor de ‘brekebeentjes’ is het een schot voor de boeg.

En als we de schoolleider nu ook nog eens trainen in het afnemen van een jaarlijkse profcheck, dan snijdt het mes aan twee kanten. De schoolleider professionaliseert en zijn imago krijgt een flinke duw in de goede richting. Toch?