Column: archief

Ga zo door!

Door: Jaap de Jonge

Wat was ik, toen ik in klas 1 zat, blij als ik het stempel met bovenstaande tekst in mijn schrift zag. Want dat stempel kreeg je niet zomaar. Daar moest je wel wat voor doen!

In het toezichtkader van de inspectie staat: ’De leraren maken weloverwogen gebruik van complimenten en correcties.’ Wat opvalt, is het woord ‘weloverwogen’. Je moet dus niet te royaal zijn met complimenten, want anders maken ze geen indruk meer. Bij steeds meer lesobservaties hoor ik echter de juf ‘Super!’ roepen als een van haar leerlingen een verdienstelijk antwoord heeft gegeven dat aardig in de goede richting gaat. En niet zelden hoor ik zelfs ‘Superdesuper!’ of ‘Helemaal super!’ als het antwoord klopt. Maar wat zou de juf nu moeten zeggen bij een werkelijk briljante opmerking? De voorraad superlatieven is al gebruikt.

Nu zult u zeggen dat het toch goed bedoeld is van de juf en dat je de leerlingen moet stimuleren.

En dat is waar. Maar ook hier is van belang: doe je de goede dingen, en doe je de dingen goed? Ja, juf doet de goede dingen, maar: nee, ze doet ze niet goed.

Je moet zuinig zijn met complimenten als ‘Super’. Dan moet het ook echt super zijn. Want anders heb je daar geen woorden meer voor. Bovendien, als (bijna) alles super is, maakt het woord zelf ook geen indruk meer. Dat zie je ook aan de reacties van de leerlingen: ‘Super’ is gewoon geworden.

Bij minder goede of zelfs foute antwoorden, wordt het lastig. Ik signaleer drie mogelijkheden om correcties vorm te geven. De grootste groep leerkrachten aarzelt. Je ziet ze denken: Wat moet ik nu zeggen? Het is niet goed, soms zelfs helemaal fout. Dus zeggen ze iets als: ‘Ja, je zit in de goede richting’, of: ‘Goed bedacht, maar …’ en dan wordt er snel een andere naam genoemd. Het verkeerde antwoord wordt niet gecorrigeerd. 

De tweede categorie leerkrachten stelt zich neutraal op, maar omdat er geen ‘Super’ klinkt, weet iedereen wel dat het niet goed is. ‘Ik wil Henk ook nog even horen’, ‘Wie heeft iets anders?’ of de klassieker: ‘Wie kan Tessa helpen?’ doet het goed.

De derde groep leerkrachten – de kleinste groep – gaat de confrontatie aan en zegt voorzichtig dat het niet goed is.  ‘Nou, ik weet niet of dat wel klopt’, of: ‘Ja, maar dat bedoel ik toch niet helemaal’, horen we dan.

Moeten we echt zo voorzichtig zijn? Mag je niet zeggen dat iets fout is?

Goed onderwijs bevordert de prestatiemotivatie en de frustratietolerantie. Door zorgvuldig om te gaan met complimenten, motiveer je de leerlingen tot prestaties. Maar ze moeten ook leren dat het soms niet lukt. Dat de berekening verkeerd is uitgepakt. Dat ze iets over het hoofd hebben gezien in de tekst, of wat dan ook. Het antwoord is fout. Dat is niet erg, maar het is wel zo. En je moet leren hiertegen te kunnen, om te gaan met tegenslagen, klein en groot.

Dat heb je nodig, nu en later!