Column: archief

The road to excellence

Door: Theo Wildeboer

Ruim honderd basisscholen vinden dat zij buitengewoon goed presteren en hebben zich bij de minister van onderwijs gemeld om kans te maken op het predicaat 'excellent'. Een jury van experts bepaalt binnenkort welke scholen deze eretitel verdienen en eind januari volgt dan de feestelijke uitreiking in … de Ridderzaal! 
Om in aanmerking te komen voor dit predicaat, moet de school het maximale uit de leerlingen halen. Daarnaast moet de school uitblinken op een bepaald gebied, zoals burgerschap of begeleiding van hoogbegaafde leerlingen. Met deze onderscheiding die de minister in het leven heeft geroepen, wil ze goede scholen belonen en andere scholen stimuleren om nog beter te presteren. 

Ik weet uit ervaring dat excellentie in organisaties nooit vanzelf tot stand komt. Het is altijd een combinatie van visie, ambitie en de gedrevenheid van leidinggevenden en medewerkers, die dag in dag uit jaren lang hard werken om hun school (of scholen) te laten excelleren. Ik denk dan: zoiets mag inderdaad beloond worden!
Toch schijnt het scholenveld er anders over te denken. Uit een enquête van de Besturenraad bleek bijvoorbeeld dat 80% van de bestuurders negatief staat tegenover het verlenen van het predicaat 'excellente school'. De argumentatie: “Het predicaat legt te veel nadruk op cijfers, omdat die nou eenmaal makkelijk te meten zijn.” 

Ja, zo lust ik er nog wel eentje. We doen een wedstrijdje hardlopen, maar degene die als tweede of derde over de finish komt, heeft ook gewonnen. Wat is er mis met trots en ambitie? Waarom mag je niet naar het beste streven en dit ook belonen? 

Ik weet niet hoe het met u zit, maar bij mij prikkelt het woord ‘excellent’ de verbeelding. Het is een intrigerend iets. Hoe kan het nou dat sommige mensen uitblinken als sporter of wetenschapper? Lange tijd heb ik gedacht – zoals velen met mij denk ik – dat excellent presteren te maken had met een soort evolutionaire toevalstreffer: een kwestie van geluk en talent ergens voor hebben. 

Maar goed, je wordt wat ouder en leert wat bij. En inmiddels weet ik dat talent een veel minder grote rol speelt dan oefening. Er is keihard bewijs dat deze gedachte ondersteunt. 

De meeste mensen die op hun gebied de top bereiken, zijn bereid om zich dagelijks enkele uren te richten op systematisch en planmatig oefenen. Ze dwingen zichzelf te zoeken naar een manier om hun vak telkens anders en beter uit te voeren. ‘Deliberate practice’ noemt men dat: oefenen met een doel. Ze moeten die aanpak dan ook nog eens tien jaar achtereen onafgebroken volhouden, willen ze echt aan de top komen. Dit heet ook wel: de ‘ten year rule’ en de regel staat bekend als bewezen voor beroepen als schaker, arts en musicus.
De bedenker van onze huidige intelligentietest, Alfred Binet (1894) heeft het opgaan van deze regel ooit aangetoond. Hij legde in een wedstrijd pittige rekenopgaven voor aan een groep proefpersonen. Hij had hiervoor uitgenodigd: echte rekenwonders, een groep slimme studenten en een groep caissières van het Parijse warenhuis ‘Le Bon Marché’. Iedereen verwachtte dat de rekenwonders het zouden winnen. En inderdaad, zij deden het beter dan … de studenten. Maar de echte winnaar kwam toch uit de gelederen van de caissières. Verklaring: de caissières waren al jarenlang gewend bijna alle berekeningen uit het hoofd te doen. Oefening baart kunst! 

Ik doe dus niet mee aan het genivelleer. Ik geef de scholen die straks het predicaat ‘excellent’ ontvangen, nu alvast mijn respect en de hartelijke felicitaties. Chapeau! Très bien! Keep up the good work! Pak ze, tijger! Ga zo door!